K.O. Meinsma

 

meinsmaKoenraad Oege Meinsma (1865 – 1929) begon als onderwijzer in een klein Overijssels dorp. Hij deed staatsexamen gymnasium in 1889. Hij was toen 34-jaar, en was letterenstudent in Amsterdam. In 1900 deed hij z’n doctoraal en twee jaar later promoveerde hij. Tijdens zijn studie deed hij literatuur- en heel veel archiefonderzoek. Specifiek uit kerk-, begraafplaatsregisters en stadsarchieven haalde hij veel feiten, die hij uit het hele land verzamelde. Het boek staat dan ook vol geboorte-, trouw- en sterfdata.

 

K.O. Meinsma Zijn boek, dat tevens zijn magnum opus werd, verscheen in 1896. Aan alles, en niet in ’t minst aan zijn levendige stijl, proef je de verwantschap die Meinsma voelt met vrijdenkers. Hij is er zelf een en was jarenlang een van de redacteuren van De Dageraad, [waarin hij een vertaling bracht van “Over drie bedriegers”. In zijn inleiding schetst hij de bronnen die over Spinoza rapporteren. En waarschijnlijk om enig tegenwicht te bieden tegen het latere beeld over het zo tolerante Holland, begint hij eerst maar eens een aantal vervolgingen van ‘libertijnen’ te schetsen in de 16e en begin van de 17e eeuw.

Hij geeft een uitgebreide schets van de Joden in Amsterdam, de strijd tussen remonstranten en contraremonstranten, het opkomende cartesianisme, de collegianten en socianen en door heel het boek heen de voortdurende aandacht van de geloofspolitie van de Amsterdamse gereformeerde kerkenraad. Het is dat de stedelijke gezagsdragers niet zo’n zin hebben om veel energie te steken in de door de gereformeerden gewenste vervolgingen. Maar je proeft wat het onderdrukkende resultaat zou zijn geweest als die dominees en kerkraadsleden de macht zouden hebben gehad om hun theocratie te vestigen. Uitvoerig schrijft hij over het ‘ketterproces’, de vervolging van Adriaan en Johannes Koerbagh. Toen de gereformeerde leiders wél gehoor hadden gekregen bij het stadsbestuur.  

Bron: Stan Verdult

 

meinsma-02Deze foto werd gemaakt ter gelegenheid van de tentoonstelling Oud-Zilver in juli 1928. Op de voorste rij staan H. Lammers, hulpconciërge, Clara Engelen en dr. K.O. Meinsma. Hij was leraar en conrector van het gymnasium, beheerde de Librije en publiceerde over de geschiedenis van Zutphen. Rechts van hem conciërge J. Nieuwburg. Achter hen de assistente juffrouw Wilhelmina van Alphen en de voorzitter van de Museumcommissie, D. Molenaar. (Foto: J. Nieuwburg, Zutphen)

Foto afkomsstig: http://www.biografischwoordenboekgelderland.nl/